Wijzigingen in de verslaggevingsrichtlijnen 2017

 

Nu het boekjaar 2017 bijna ten einde loopt en de voorbereidingen worden getroffen om over dat boekjaar een financieel verslag op te stellen, is het een goed moment om even stil te staan bij de wijzigingen die zijn doorgevoerd in de Nederlandse verslaggevingsstandaarden.

Het goede nieuws is dat het allemaal wel meevalt. De wet (titel 9 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek) is voor het laatst gewijzigd in 2015 en die wijzigingen zijn doorgaans al verwerkt in de jaarrekeningen over 2016. En de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ) heeft de wijzigingen in de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ-richtlijnen) beperkt gehouden. De wijzigingen hebben voornamelijk betrekking op de verplichting om in bijzondere omstandigheden meer toelichting op te nemen.

In dit blog ga ik in op de belangrijkste wijzigingen voor grote, middelgrote en kleine rechtspersonen*. Daarbij ga ik overigens voorbij aan de wijzigingen die uitsluitend van belang zijn voor financiële instellingen, zorginstellingen en onderwijsinstellingen.

Actuele kostprijs

Bij de wetswijziging die in 2015 werd doorgevoerd, werd onder meer het begrip vervangingswaarde vervangen door actuele kostprijs. Dat dit niet alleen een naamswijziging was, is wel gebleken uit de stroom van reacties die de RJ kreeg op de praktische toepassing.

Pas in de loop van 2017 heeft de RJ een definitieve richtlijn uitgebracht over de toepassing van de actuele kostprijs. Omdat die nogal technisch van aard is en omdat de juiste toepassing ervan sterk afhankelijk is van de specifieke situatie van de rechtspersoon, voert het te ver om er in het kader van dit blog uitgebreid op in te gaan. Uiteraard zijn mijn collega’s bij Joanknecht en ik graag bereid om u verder te helpen bij de juiste implementatie van deze richtlijn in uw jaarrekening.

Schattingen en onzekerheden in de jaarrekening

De wet vereist dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van het vermogen en het resultaat van de onderneming. Bij het opstellen van de jaarrekening maakt de directie belangrijke oordelen, keuzes en schattingen die van invloed zijn op het beeld dat de jaarrekening geeft.

Op grond van RJ-richtlijn 110.129 diende de rechtspersoon de aard van deze oordelen en schattingen inclusief de bijbehorende veronderstellingen altijd al toe te lichten. Kennelijk is de RJ van mening dat deze verplichte toelichting in de praktijk niet of te summier werd gegeven, want in de nieuwe editie van de RJ-richtlijnen heeft de Raad een (niet limitatieve) lijst van voorbeelden opgenomen van oordelen en schattingen die een belangrijke invloed kunnen hebben en die dus moeten worden toegelicht.

Verder is er bij het opstellen van de jaarrekening altijd sprake van een bepaalde mate van onzekerheid. Dit kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de inbaarheid van vorderingen, de vraag of verstrekte garanties tot claims zullen leiden of op de inschatting van de levensduur van vaste activa. In de nieuwe editie van de RJ-richtlijnen is bepaald dat, indien dat nodig is voor het vereiste inzicht, de rechtspersoon de aard en omvang van dergelijke onzekerheden moet toelichten.

Deelnemingen en consolidatie

De wet definieert een deelneming als een kapitaalbelang dat voor eigen rekening en risico duurzaam wordt aangehouden ten behoeve van de eigen werkzaamheid. Voorts bepaalt de wet dat een deelneming waarop de rechtspersoon invloed van betekenis uitoefent op het zakelijke en financiële beleid, moet worden gewaardeerd volgens de vermogensmutatiemethode.

Naast deze kwalitatieve criteria, die leidend zijn, benoemt de wet ook een kwantitatieve “drempel”: in beide gevallen bestaat het vermoeden dat aan de kwalitatieve criteria wordt voldaan, indien de rechtspersoon 20% of meer van het kapitaal verschaft. Dit vermoeden is echter weerlegbaar. In de nieuwe editie van de RJ-richtlijnen wordt nu vereist dat de rechtspersoon een toelichting opneemt, wanneer een kapitaalbelang anders wordt behandeld dan zou kunnen worden verwacht op grond van het wettelijk vermoeden. Met andere woorden: als een kapitaalbelang van meer dan 20% niet wordt aangemerkt als deelneming, dient voortaan te worden toegelicht op grond van welke omstandigheid de rechtspersoon tot dit besluit gekomen is.

Deze toelichting is op grond van de wet overigens niet vereist. Met deze toevoeging kent de RJ naar mijn mening meer gewicht toe aan de kwantitatieve criteria dan de wetgever heeft bedoeld.

Daarnaast heeft de RJ ook de toelichtingseisen met betrekking tot de consolidatiekring uitgebreid.

De consolidatiekring bestaat uit alle groepsmaatschappijen van de consoliderende rechtspersoon. Er is sprake van een groepsmaatschappij, indien de rechtspersoon beleidsbepalende invloed uitoefent op het zakelijke en financiële beleid van die betreffende maatschappij.

De RJ-richtlijn vereist nu dat de rechtspersoon een toelichting geeft op het niet mee consolideren van een maatschappij terwijl dit wellicht wel verwacht zou mogen worden. Bijvoorbeeld wanneer de rechtspersoon een kapitaalbelang van meer dan 50% heeft; je zou dan verwachten dat de rechtspersoon op basis van dat kapitaalbelang ook beleidsbepalende invloed uitoefent en dat de betreffende maatschappij dus tot de consolidatiekring behoort. Als de betreffende maatschappij dan niet wordt meegenomen in de consolidatie, is een toelichting vereist. En andersom ook: als een maatschappij wel wordt mee geconsolideerd, terwijl dat misschien niet direct voor de hand lijkt te liggen.

Deze toelichting, die alleen verplicht is als dat nodig is voor het vereiste inzicht, was op grond van de wet overigens al vereist en is dus eigenlijk niets nieuws onder de zon.

Verder vereist de RJ nu dat de rechtspersoon informatie verschaft over het aandeel van derden in de groep, indien dit noodzakelijk is voor het vereiste inzicht. Dit is vooral van belang als het risicoprofiel, het rendementsprofiel of het liquiditeitsprofiel van de activiteit waarin derden participeren, belangrijk verschilt van de groep als geheel.

Kasstroomoverzicht

De RJ heeft in RJ-richtlijn 360 een wijzing doorgevoerd met betrekking tot de verwerking van de ontvangsten en uitgaven uit hoofde van interest en dividend. In het verleden werden zowel dergelijke ontvangsten als uitgaven gerubriceerd onder de operationele kasstroom of de financieringskasstroom. De keuze tussen deze twee rubrieken werd uiteraard bepaald door de aard van de activiteiten van de onderneming.

In de nieuwe richtlijn wordt een onderscheid gemaakt tussen de ontvangsten en uitgaven uit hoofde van interest en dividend, als zo’n kasstroom niet tot de operationele activiteiten kan worden gerekend. Ontvangsten worden in dat geval voortaan gerubriceerd onder de investeringskasstroom en uitgaven onder de financieringskasstroom.

Pensioenvoorziening en oudedagsverplichtingen directeuren-grootaandeelhouders

Op 1 april 2017 is de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige pensioenmaatregelen in werking getreden. Op grond van deze wet is het vanaf 30 juni 2017 niet meer mogelijk om pensioen in eigen beheer op te bouwen. Bestaande regelingen moeten dus vanaf die datum premievrij zijn gemaakt.

Met de tot die datum opgebouwde aanspraken, die in de jaarrekening op de commerciële waarde zijn gewaardeerd, kan de rechtspersoon op verschillende manieren omgaan. De rechtspersoon kan ervoor kiezen om de bestaande aanspraken in eigen beheer te houden. De bestaande verplichting wordt dan alleen nog aangepast voor eventuele indexatie en uiteraard worden uitkeringen op de verplichting in mindering gebracht.

De rechtspersoon kan in 2017, 2018 of 2019 ook kiezen voor een zogenaamde geruisloze afstempeling, waarbij de commercieel gewaardeerde verplichting wordt afgewaardeerd tot de fiscale boekwaarde. Vervolgens moet de verplichting worden omgezet in een zogenoemde oudedagsverplichting of worden afgekocht (waarbij dan loonbelasting moet worden afgedragen).

Het maken van de juiste keuze en de verwerking daarvan in de jaarrekening vraagt om specialistische kennis die we bij Joanknecht ruimschoots in huis hebben. We helpen u graag verder om in uw specifieke situatie de juiste keuze te maken.

Dit is een beknopte weergave van de belangrijkste wijzigingen in de Nederlandse verslaggevingsstandaarden vanaf boekjaar 2017. Vanzelfsprekend staan mijn collega’s bij Joanknecht en ik voor u klaar om in uw specifieke situatie te beoordelen welke wijzigingen voor u van belang zijn en hoe deze van invloed zullen zijn op uw jaarrekening 2017.

* Een rechtspersoon wordt ingedeeld in één van de volgende categorieën, indien op 2 opeenvolgende boekjaren wordt voldaan aan tenminste twee van de drie criteria van die categorie:

Micro

rechtspersoon

Kleine

rechtspersoon

(mits niet micro)

Middelgrote rechtspersoon

(mits niet micro of klein)

Grote

Rechtspersoon

Balanstotaal ≤ € 350.000 ≤ € 6 miljoen ≤ € 20 miljoen > € 20 miljoen
Netto-omzet ≤ € 700.000 ≤ € 12 miljoen ≤ € 40 miljoen > € 40 miljoen
Werknemers < 10 FTE < 50 FTE < 250 FTE ≥ 250 FTE

 

Deze blog is op persoonlijke titel geschreven door Edwin Vogel, audit partner bij Joanknecht en docent externe verslaggeving bij Nyenrode Business Universiteit. De inhoud van dit blog is op 10 november 2017 voor het laatst door de auteur getoetst aan de geldende wet- en regelgeving.