Wetsvoorstel beperking liquidatie- en stakingsverliesregeling

wetsvoorstel beperking liquidatie- en stakingsverliesregeling

Al op Prinsjesdag 2019 kondigde het kabinet aan de liquidatie- en stakingsverliesregeling te willen beperken op basis van het (concept-)initiatiefwetsvoorstel van de Tweede Kamerleden Snels (GroenLinks), Leijten (SP) en Nijboer (PvdA). Inmiddels is op Prinsjesdag 2020 naast het belastingpakket ook het wetsvoorstel Wet beperking liquidatie- en stakingsverliesregeling ingediend bij de Tweede Kamer. Door het wetsvoorstel wordt de reikwijdte van de liquidatie- en stakingsverliesregeling in de vennootschapsbelasting beperkt met als doel oneigenlijk gebruik van deze regelingen te voorkomen. Hierna leest u wat het wetsvoorstel inhoudt.

In een eerder nieuwsbericht hebben wij u al geïnformeerd over de voorgestelde maatregelen uit het in 2019 gepresenteerde initiatiefvoorstel. Voor meer informatie hierover en een korte uitleg over de liquidatieverliesregeling verwijzen wij naar ons eerdere nieuwsbericht.

Het wetsvoorstel

Het nu ingediende wetsvoorstel komt in hoofdlijnen overeen met het eerder gepresenteerde initiatiefwetsvoorstel en heeft een verdere versobering van de liquidatie- en stakingsverliesregeling tot gevolg voor de boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2021.

De liquidatieverliesregeling wordt beperkt door de regeling uit te breiden met drie nieuwe voorwaarden: een kwantitatieve, een territoriale en een temporele voorwaarde.

Kwantitatieve voorwaarde
De kwantitatieve voorwaarde houdt in dat een liquidatieverlies, voor zover dit meer bedraagt dan het drempelbedrag (zie hierna), slechts in aanmerking mag worden genomen indien de moedervennootschap een beslissende invloed heeft op de besluitvorming van haar deelneming. Hiervan is volgens het wetsvoorstel doorgaans sprake indien de moedervennootschap meer dan 50% van de statutaire stemrechten in de deelneming bezit.

Het drempelbedrag bedraagt € 5 miljoen. Aan liquidatieverliezen van € 5 miljoen of minder wordt de kwantitatieve voorwaarde niet gesteld. Liquidatieverliezen van € 5 miljoen of minder worden dus niet in aftrek beperkt op grond van de kwantitatieve voorwaarde.

Territoriale voorwaarde
De territoriale voorwaarde zorgt ervoor dat een liquidatieverlies, voor zover dit meer bedraagt dan het drempelbedrag (zie hierna), slechts in aanmerking kan worden genomen indien de verliezen afkomstig zijn uit Nederland, de EU/EER of een land waarmee de EU een specifieke associatieovereenkomst heeft gesloten.
Ook voor de territoriale voorwaarde geldt het drempelbedrag van € 5 miljoen. Aan liquidatieverliezen van € 5 miljoen of minder wordt de territoriale voorwaarde dus niet gesteld.

Temporele voorwaarde
De temporele voorwaarde tot slot houdt in dat een liquidatieverlies enkel in aanmerking kan worden genomen indien de vereffening wordt voltooid binnen drie kalenderjaren na afloop van het kalenderjaar waarin de onderneming van de deelneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt of daartoe het besluit is genomen. Wel kent de temporele voorwaarde een tegenbewijsregeling op grond waarvan de belastingplichtige kan aantonen dat het op een later tijdstip voltooien van de vereffening niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.

Voor deze voorwaarde geldt geen drempelbedrag. De temporele voorwaarde geldt dus voor alle liquidatieverliezen, ongeacht de omvang daarvan.

Doorkijkbepaling

Om te voorkomen dat aan de kwantitatieve en territoriale voorwaarden kan worden ontkomen door gebruik te maken van een (tussen)houdstervennootschap is in het wetsvoorstel tevens een doorkijkbepaling opgenomen. Op grond van deze bepaling wordt gekeken of het liquidatieverlies ook genomen had kunnen worden indien de (tussen)houdstervennootschap wordt weggedacht en de belastingplichtige het belang in de te liquideren vennootschap direct zou hebben gehouden.

Ook voor de toepassing van de temporele voorwaarde wordt een doorkijkbepaling opgenomen die moet voorkomen dat men eenvoudig aan de werking van de voorwaarde kan ontkomen. Op basis van deze bepaling moet de liquidatie van een (tussen)houdstervennootschap zijn afgerond binnen drie kalenderjaren na het kalenderjaar van (het besluit tot) staking van de onderneming van de eerder ontbonden deelneming. Wordt hieraan niet voldaan (en slaagt een beroep op de tegenbewijsregeling niet) dan komt het liquidatieverlies, dat ziet op het eerder ontbonden lichaam, niet voor aftrek in aanmerking.

Overgangsrecht

Met betrekking tot de temporele voorwaarde wordt een overgangsbepaling opgenomen. Deze bepaling ziet op liquidaties waartoe vóór 1 januari 2021 is besloten. In dergelijke situaties beslist de overgangsbepaling dat een liquidatieverlies slechts in aanmerking kan worden genomen indien de vereffening uiterlijk op 31 december 2023 is voltooid.

Ook voor stakingsverliezen

Voor de stakingsverliesregeling wordt een vergelijkbare territoriale en temporele voorwaarde voorgesteld. Vanwege de aard van de stakingsverliesregeling is invoering van een kwantitatieve voorwaarde niet aan de orde. Een stakingsverlies kan zich voordoen bij staking van een buitenlandse onderneming die niet in een rechtspersoon is ondergebracht (vaste inrichting).

Contact

Heeft u vragen over de gevolgen voor uw situatie? Neem dan gerust contact op met Kim Dekkers, belastingadviseur, via e-mail of per telefoon op +31 (0)40 240 9429 of met een van onze specialisten die rechtsboven op deze pagina staan vermeld.