Zonnepanelen op woning

Uitspraak Hoge Raad teruggaaf btw zonnepanelen

 

Op 1 september 2012 zijn op het dak van de woning van een man zonnepanelen geïnstalleerd. Vanaf dat moment werd ook energie geleverd aan het net. Bij aankoop van de zonnepanelen is € 830 aan btw in rekening gebracht. Op 8 maart 2013 heeft de man een verzoek gedaan om aangiftebiljetten btw te ontvangen voor het tijdvak van 1 september 2012 tot en met 31 december 2012. De Belastingdienst heeft het aangiftebiljet uitgereikt en de aangifte die werd ingediend resulteerde in een teruggaaf van € 810. De Belastingdienst weigerde de teruggaaf te verlenen omdat niet om aangiftebiljetten was verzocht binnen de termijn van drie maanden na afloop van het kwartaal waarin het recht op teruggaaf was ontstaan. Het hof stelde de inspecteur in het gelijk.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat geen verplichting geldt om het begin van btw belaste activiteiten meteen te melden bij de Belastingdienst indien er recht bestaat op teruggave van btw. Een ondernemer die btw moet betalen en die (nog) niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte is wél verplicht om de inspecteur te verzoeken om aangiftebiljetten. In dit geval was vastgesteld dat de aftrekbare btw de verschuldigde btw overtrof, en was het verzoek om aangiftebiljetten uit te reiken dus niet te laat gedaan. De teruggaaf moet dan ook worden toegekend.

Voor de praktijk

Volgens de Hoge Raad kan een btw teruggaaf niet worden geweigerd omdat niet op tijd is verzocht om een aangiftebiljet. Er geldt immers geen termijn voor het verzoeken om aangiftebiljetten als per saldo recht bestaat op een teruggaaf van btw. Voor de praktijk biedt dit wellicht mogelijkheden voor startende ondernemers zoals bijvoorbeeld eigenaren van zonnepanelen. Er dient echter wel rekening gehouden te worden met het feit dat er mogelijk een verjaringstermijn geldt van 5 jaar.

Wilt u weten of dit arrest mogelijkheden biedt voor u? Neem dan contact op met één van onze btw-adviseurs. Zij zijn bereikbaar via btw@joanknecht.nl.

Dit is een casus van de Hoge Raad, uitspraak 15 december 2017.