Uitspraak Hoge Raad in proefprocedures box 3

Uitspraak Hoge Raad in proefprocedures box 3

Op 14 juni 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de proefprocedures tegen de vermogensrendementheffing van box 3 voor de jaren 2013 en 2014. Tot en met 2016 werd voor de belastingheffing in box 3 uitgegaan van een fictief rendement van 4% over de waarde van het vermogen per 1 januari van het betreffende jaar. Volgens de wetgever zou een dergelijk rendement voor belastingplichtigen gedurende een lange reeks van jaren haalbaar moeten zijn zonder dat hij hiervoor (veel) risico hoeft te nemen. De Hoge Raad heeft nu geoordeeld dat het rendement van 4% voor de jaren 2013 en 2014 niet meer haalbaar is zonder (veel) risico. Het is echter niet aan de rechter maar aan de wetgever om de box 3-regeling aan te passen.

Box 3: fictief rendement van 4%

Tot en met 2016 werd in box 3 uitgegaan van een fictief rendement van 4% over de waarde van het vermogen op de peildatum (1 januari). Omdat de werkelijk behaalde (spaar)rendementen in de praktijk steeds verder beneden de 4% kwamen te liggen, heeft de Bond voor Belastingbetalers opgeroepen bezwaar te maken tegen de box 3-heffing.

Reeds in 2015 oordeelde de Hoge Raad dat box 3 op stelselniveau in strijd komt met artikel 1 Eerste Protocol van het EVRM (EP EVRM), wanneer het rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en zij, mede gelet op het belastingtarief, worden geconfronteerd met een buitensporig zware last.

Fictief rendement niet meer haalbaar in 2013 en 2014

De eerste vraag in de proefprocedures is of het rendement van 4% nog haalbaar was in de jaren 2013 en 2014. Volgens de Hoge Raad moet voor de beantwoording van deze vraag worden gekeken naar het gemiddelde nominale rendement op beleggingen waarbij niet veel risico wordt gelopen. Hieronder vallen Nederlandse staatsobligaties, spaarrekeningen en (termijn)deposito’s bij banken. Beleggingen in aandelen of onroerende zaken vallen hierbuiten.

De Hoge Raad is van mening dat voor de jaren 2013 en 2014 het fictieve rendement van 4% niet meer haalbaar was voor particulieren zonder daarvoor (veel) risico te hoeven nemen. Het gemiddelde rendement van 4% was namelijk niet meer haalbaar voor:

  • staatsobligaties vanaf 2009,
  • spaarrekeningen vanaf 2001, en
  • (termijn)deposito’s vanaf 2010.

 

Buitensporig zware last op stelselniveau

De vervolgvraag is of particulieren worden geconfronteerd met een buitensporig zware last, mede gelet op het belastingtarief. Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake wanneer de belastingdruk in box 3 voor het jaar 2013 of 2014 hoger is dan het gemiddeld zonder (veel) risico’s haalbare rendement, oftewel indien het gemiddeld haalbare nominale rendement lager is dan 1,2%. Of dit het geval is in 2013 of 2014 wordt niet door de Hoge Raad beantwoord.

Hoge Raad grijpt niet in

Ondanks dat de Hoge Raad oordeelt dat het fictieve rendement van 4% in de jaren 2013 en 2014 niet langer haalbaar is, biedt zij geen oplossing. Omdat de rechter (op stelselniveau) terughoudend moet optreden ten opzichte van de wetgever, grijpt de Hoge Raad niet in. Het is aan de wetgever om over te gaan tot een wijziging van de vermogensrendementsheffing. De bal ligt dus bij de wetgever.

Massaal bezwaar over de jaren 2013 t/m 2016

Met de uitspraak van de Hoge Raad zal de Belastingdienst de bezwaren tegen de box 3-heffing voor de jaren 2013 tot en met 2016 gaan afwikkelen. Dat zal gebeuren door een collectieve uitspraak die wordt gepubliceerd in de Staatscourant en op de website van de Belastingdienst. De bezwaarschriften van belastingplichtigen die zijn aangesloten bij de massale bezwaarprocedure, zullen naar verwachting niet leiden tot een teruggave van belasting.

Momenteel bekijkt de Bond voor Belastingbetalers of de uitspraak van de Hoge Raad nog moet worden voorgelegd aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

Wilt u meer informatie over wat dit voor u betekent? Neem contact op met een van onze belastingadviseurs per e-mail of per telefoon op 040-844 7000.