Prinsjesdag: maatregelen ondernemingen

prinsjesdag maatregelen belastingplan ondernemingen

Op Prinsjesdag is het pakket Belastingplan 2021 van kabinet Rutte III gepresenteerd. Dit jaar bestaat het belastingpakket uit acht wetsvoorstellen. Benieuwd naar de gevolgen van het belastingpakket voor uw situatie? Wij hebben de belangrijkste maatregelen per thema voor u samengevat. Hierbij zetten wij de belangrijkste maatregelen voor ondernemingen onder elkaar.

Aanpassing van tarieven vennootschapsbelasting

Per 1 januari 2020 is het lage vennootschapsbelastingtarief verlaagd van 19% naar 16,5% en het hoge vennootschapsbelastingtarief op 25% gebleven. Hoewel eerder per 1 januari 2021 een verlaging van het hoge vennootschapsbelastingtarief van 25% naar 21,7% was voorzien, is besloten hiervan af te zien. Het hoge vennootschapsbelastingtarief blijft 25%. Wel wordt het lage vennootschapsbelastingtarief per 1 januari 2021 verlaagd van 16,5% naar 15%. Bovendien wordt voorgesteld de eerste tariefschijf te verlengen van € 200.000 in 2020 naar € 245.000 in 2021 en naar € 395.000 in 2022.

Verhoging effectieve tarief innovatiebox

Het effectieve tarief van de innovatiebox wordt verhoogd van 7% naar 9%. Met de verhoging streeft het kabinet naar een evenwichtige belastingheffing over winsten uit innovatieve activiteiten in Nederland. Tegelijkertijd heeft het kabinet oog voor het behoud van een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven.

In lijn met de verhoging van het effectieve tarief wordt het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 aangepast, zodat bij verrekening van buitenlandse belasting op royalty’s wordt aangesloten bij het nieuwe effectieve tarief.

Versnelde afbouw zelfstandigenaftrek

In het Belastingplan 2020 werd de zelfstandigenaftrek met ingang van 2020 in acht stappen van
€ 250 en één stap van € 280 afgebouwd naar € 5.000 in 2028. De zelfstandigenaftrek wordt vanaf 2021 additioneel met € 110 per jaar afgebouwd tot uiteindelijk € 3.240 in 2036.

Coronasteunmaatregelen

Het kabinet heeft dit jaar in het kader van de coronacrisis reeds verschillende (fiscale) steunmaatregelen genomen. Vooruitlopend op wetgeving, zijn sommige van deze maatregelen in een beleidsbesluit uitgewerkt. In het wetsvoorstel Belastingplan 2021 worden verschillende steunmaatregelen nader uitgewerkt en/of gecodificeerd. Het gaat om de volgende maatregelen.

  • Fiscale coronareserve
    Door het vormen van een fiscale coronareserve in de aangifte vennootschapsbelasting kan een belastingplichtige op een vroeger moment een verlies nemen waarmee liquiditeitsvoordeel wordt behaald ten opzichte van reguliere verliesverrekening. Op basis van deze maatregel mag een belastingplichtige het verwachte verlies voor het jaar 2020 dat verband houdt met de coronacrisis als fiscale coronareserve ten laste van de winst van het jaar 2019 brengen. De fiscale coronareserve bedraagt maximaal de fiscale winst over 2019 zonder rekening te houden met deze reserve. Daarnaast mag de fiscale coronareserve niet hoger zijn dan het te verwachten verlies in 2020 als gevolg van de coronacrisis. De fiscale coronareserve wordt in het jaar volgend op het jaar waarin de reserve is gevormd, volledig in de winst opgenomen.

De mogelijkheid tot het vormen van de reserve was reeds opgenomen in een beleidsbesluit en wordt met het wetsvoorstel Belastingplan 2010 gecodificeerd.

  • Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren (TOGS) en Subsidie vaste lasten

Onder voorwaarden kon een gedupeerde onderneming op basis van de TOGS aanspraak maken op een tegemoetkoming in de schade geleden door de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van het coronavirus. Deze regeling is inmiddels opgevolgd door de Subsidie vaste lasten op basis waarvan een gedupeerde onderneming onder voorwaarden een tegemoetkoming voor diens vaste lasten voor een periode van vier maanden kan aanvragen. Met het wetsvoorstel Belastingplan wordt bewerkstelligd dat beide vergoedingen worden vrijgesteld van de heffing van inkomsten- of vennootschapsbelasting. Deze bepaling treedt in werking met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020.

  • Subsidieregeling bonus zorgprofessionals

Aan zorgprofessionals die in hun werk direct of indirect de gevolgen van de uitbraak van het coronavirus hebben ondervonden, kan op basis van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals een bonus worden toegekend van € 1.000 zonder gevolgen voor de heffing van inkomstenbelasting en zonder dat de bonus gaat behoren tot het inkomen dat relevant is voor inkomensafhankelijke regelingen zoals toeslagen.

Voor werknemers voorziet de wet reeds in een mogelijkheid om ervoor te zorgen dat de bonus € 1.000 netto is. De werkgever wijst de bonus aan als eindheffingsbestanddeel en brengt de bonus onder in de vrije ruimte van de werkkostenregeling. Bij de subsidie die door de werkgever wordt ontvangen, wordt rekening gehouden met een eventueel bedrag aan afgedragen of af te dragen loonheffingen. Voor niet-werknemers zoals zelfstandigen, geldt deze mogelijkheid niet. Voorgesteld wordt bonussen van niet-werknemers onder voorwaarden eveneens als eindheffingsbestanddeel in aanmerking te kunnen nemen. De bonus vormt dan geen belastbaar inkomen of belastbare winst voor de niet-werknemer. Deze bepaling werkt terug tot en met 1 januari 2020.

  • Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (TOFA)

Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 wordt voorgesteld de toegepaste fiscale behandeling van de TOFA te codificeren. De TOFA vormde een vangnet voor flexwerkers die door de coronacrisis in de maand april 2020 ten opzichte van de maand februari 2020 substantieel inkomensverlies hebben geleden, maar over de maand april 2020 geen aanspraak konden maken op een socialezekerheidsuitkering en onvoldoende middelen van bestaan hadden om rond te komen.

Omdat de TOFA-tegemoetkoming de vorm had van een eenmalige tegemoetkoming, viel deze in beginsel niet onder de loonbelasting. Omdat het niet wenselijk werd geacht de belastingheffing volledig pas via de inkomstenbelasting te laten plaatsvinden, is de keuze gemaakt om de tegemoetkoming te behandelen als loon uit vroegere dienstbetrekking en het UWV daarbij als inhoudingsplichtige aan te wijzen, zodat het UWV loonheffing kon inhouden.

Aanscherping renteaftrekbeperking artikel 10a Wet Vpb

Renten van schulden aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon die verband houden met bepaalde rechtshandelingen, zoals de uitbreiding of verwerving van een deelneming, zijn onder omstandigheden uitgesloten van aftrek.

Het van aftrek uit te sluiten bedrag aan renten wordt momenteel voor alle kwalificerende schulden tezamen bepaald. Indien in een jaar het bedrag aan negatieve renten het bedrag aan positieve renten overtreft, leidt toepassing van het huidige artikel 10a Wet Vpb ertoe dat een deel van de negatieve renten buiten aanmerking wordt gelaten bij het bepalen van de winst. De uitsluiting van de aftrek leidt dan tot een daling van de winst, waardoor sprake is van een vrijstelling.

De voorgestelde bepaling regelt dat voortaan per kwalificerende schuld dient te worden beoordeeld of de toepassing van artikel 10a Wet Vpb per saldo zou leiden tot een lagere winst. Voor zover in enig jaar het bedrag aan negatieve rente het bedrag aan positieve rente overschrijdt, vindt artikel 10a Wet Vpb geen toepassing op dit saldo, zodat dit saldo niet langer wordt vrijgesteld van belastingheffing. Op het overige deel van de renten ter zake van de betreffende kwalificerende schuld blijft artikel 10a Wet Vpb onverkort van toepassing.

Verduidelijking berekeningswijze kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)

De KIA is bedoeld om investeringen van relatief geringe omvang te bevorderen. Uit de wettekst waarin de KIA is opgenomen blijkt onvoldoende hoe de hoogte van de KIA moet worden berekend indien een belastingplichtige meerdere ondernemingen heeft dan wel wanneer de onderneming van belastingplichtige deel uitmaakt van een samenwerkingsverband zoals een maatschap of vennootschap onder firma. Het kabinet stelt daarom de volgende bepalingen voor:

  • Onderneming maakt deel uit van samenwerkingsverband

De belastingplichtige die onderdeel uitmaakt van een samenwerkingsverband heeft – kort gezegd – recht op een evenredig gedeelte van het maximumbedrag aan KIA voor zijn aandeel in het totaal van de investeringen in het samenwerkingsverband.

  • Meerdere ondernemingen

Ingeval de belastingplichtige meerdere ondernemingen heeft, wordt voor het bepalen van de hoogte van de KIA per onderneming uitgegaan van het investeringsbedrag per onderneming van de belastingplichtige en niet van het totaal aan investeringen voor alle ondernemingen van de belastingplichtige tezamen.

Belastingplan 2021

Lees hier alle maatregelen uit het belastingplan 2021 die door kabinet Rutte III op Prinsjesdag 2020 zijn gepresenteerd.

Vragen?

Neem gerust contact op met Kim Dekkers, belastingadviseur, via e-mail of per telefoon op +31 (0)40 240 9429 of met een van onze specialisten die rechtsboven op deze pagina staan vermeld.