Pandrecht op geleverde zorg

 

Bij Forensics & Recovery volgen we jurisprudentie om onze klanten beter te begeleiden bij herstructureringen. Uit een recent arrest van de Hoge Raad volgt het volgende. Bij behandelingen door een arts die langere tijd lopen en die bestaan uit meerdere (deel)prestaties, ontstaat een vordering op de patiënt na ieder gedeelte van de behandeling die is verricht. Dat volgt uit de casus van de failliete zorgaanbieder Better Life B.V. die haar vorderingen verpand had aan Famed B.V. Dit arrest kan gevolgen hebben voor financieringsafspraken in andere sectoren, zoals de bouw waar ook stapsgewijze oplevering van bouwprojecten kan zijn overeengekomen.

Verpanden van vorderingen

Zorgaanbieder Better Life B.V. had haar vorderingen verpand aan Famed B.V. In de samenwerkingsovereenkomst tussen beide partijen is onder andere het volgende opgenomen: “tot zekerheid van de nakoming door Better Life B.V. van haar verplichtingen jegens Famed B.V., zal de Better Life B.V. aan Famed B.V. een pandrecht in de hoogst mogelijke rang verlenen op alle bestaande en toekomstige vorderingen die voortvloeien uit de uitoefening door Better Life B.V. van haar beroep of bedrijf.” Better Life B.V. had dus haar vorderingen verpand en in letterlijke zin niet haar onderhanden werk.

Onderhanden werk wordt verkocht

Na het faillissement heeft de curator de activiteiten van Better Life B.V. verkocht aan Better Mind B.V. (verder: BM). In de overnameovereenkomst is onder andere vermeld: “de waarde van het door Better Life B.V. verrichte onderhanden werk (het wel verrichte, maar nog niet bij zorgverzekeraars en klanten in rekening gebrachte werk) bedraagt per heden € 1.265.697,93.”

Zowel Famed B.V. als de curator maakten aanspraak op de verkoopopbrengst van het onderhanden werk. Deze bedroeg € 885.989,00 en is door BM gestort op een door de curator en Famed B.V. aangewezen (escrow)rekening. BM heeft dat bedrag ontvangen van de zorgverzekeraars nadat zij de door Better Life B.V. uitgevoerde maar nog niet in rekening gebrachte werkzaamheden administratief had afgehandeld als Diagnose Behandeling Combinatie (DBC) en gefactureerd aan de zorgverzekeraars.

Onderhanden werk blijkt “nog te factureren vorderingen” te zijn

De curator stelde dat Famed B.V. geen pandrecht had op het onderhanden werk uit hoofde van de behandelingsovereenkomsten. Omdat de gemaakte kosten pas na voltooiing van de behandeling en het volledig doorlopen van het DBC-systeem bij de zorgverzekeraar konden worden gedeclareerd, was er volgens de curator voor faillissement nog geen vordering ontstaan. Derhalve was er nog geen sprake van een vordering waarop Famed B.V. haar pandrecht kon uitoefenen.

De Hoge Raad besliste anders op 17 november jl en stelde Famed in het gelijk. Hij is van mening dat van belang is of in de overeenkomst deelprestaties en tussentijdse (loon)vorderingen zijn overeengekomen tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Voor het ontstaan van deze vorderingen is vervolgens niet vereist dat bepaalde administratieve handelingen, zoals het toezenden van facturen of het volledig doorlopen van een DBC-traject, zijn verricht. Famed had dus een pandrecht op het overgedragen “onderhanden werk” en mocht de opbrengst van € 885.989,00 ontvangen.