Nederlandse Vpb-heffing bij dividenduitkering aan buitenlandse vennootschap?

Op 10 januari 2020 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen betreffende de vraag of Nederland vennootschapsbelasting (Vpb) mag heffen over een dividenduitkering van een Nederlandse vennootschap aan een buitenlandse aandeelhouder (vennootschap). De Hoge Raad heeft geoordeeld dat Nederland dat inderdaad mag op basis van de zogenoemde technisch aanmerkelijkbelangregeling.

Het arrest

In de voorgelegde casus ging het om een Nederlandse vennootschap (hierna: de bv) die oorspronkelijk als houdstervennootschap van een Nederlandse verzekeringsmaatschappij fungeerde. Nadat de bv haar deelnemingen had verkocht, is de verkoopopbrengst door de bv als dividend (ongeveer € 24 miljoen) uitgekeerd aan de in Luxemburg gevestigde moedervennootschap. De aandeelhouder van de moedervennootschap is een natuurlijk persoon die in Zwitserland woont.

De technisch aanmerkelijkbelangregeling in de Vpb is ingevoerd om belastingontwijking tegen te gaan door het tussenschuiven van een buitenlandse houdstervennootschap. Er zijn twee toetsen die uitgevoerd moeten worden om vast te stellen of sprake is van Vpb-heffing over de dividenduitkering. Op hoofdlijnen houden deze toetsen het volgende in.

Ten eerste dient getoetst te worden of de aandeelhouder de deelneming niet houdt met als doel (of een van de hoofddoelen) om belasting bij een ander te ontgaan (de subjectieve toets). Dit wordt beoordeeld aan de hand van de ‘wegdenkgedachte’: zou wel Nederlandse belasting zijn verschuldigd als de bv het dividend direct aan de natuurlijke persoon zou hebben uitgekeerd? In de situatie van het arrest wordt deze vraag bevestigend beantwoord, waardoor sprake is van het ontgaan van belasting.

De tweede toets (de objectieve toets) houdt in dat geen sprake mag zijn van een kunstmatige constructie of transactie. Om aan deze toets te voldoen dient de structuur te zijn opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Dit betekent dat de aandeelhouder voldoende economisch reële aanwezigheid in dat land moet hebben. In de situatie van het arrest was de bv op het moment van de dividenduitkering slechts een kasgeldvennootschap en had de moedervennootschap in Luxemburg geen reële economische activiteiten. Volgens de Hoge Raad is in dat geval sprake van een kunstmatige constructie.

Het oordeel van de Hoge Raad is derhalve dat de dividenduitkering terecht is belast met Nederlandse Vpb op basis van de technisch aanmerkelijkbelangregeling.

Wat betekent dit voor u?

Bestaat het voornemen een dividenduitkering vanuit een Nederlandse bv te doen aan een buitenlandse aandeelhouder (vennootschap), dan is het aan te raden voorafgaand aan de dividenduitkering te beoordelen of geen aanvullende Nederlandse belastingheffing volgt.

De Nederlandse vennootschapsbelasting is in dat geval namelijk verschuldigd door de buitenlandse aandeelhouder. Dit zorgt ervoor dat deze aandeelhouder een aangifte vennootschapsbelasting in Nederland moet indienen. Om discussie met de Nederlandse Belastingdienst, administratieve verplichtingen achteraf en eventuele boetes te voorkomen is het verstandig de fiscale gevolgen van de dividenduitkering vooraf te beoordelen.

Hierbij moet eveneens rekening worden gehouden met de gevolgen voor de dividendbelasting. Hierover leest u meer in dit artikel.

Contact

Wilt u meer informatie over de technisch aanmerkelijkbelangregeling of wilt u weten wat de fiscale gevolgen zijn van uw voorgenomen dividenduitkering? Neem dan contact op met uw adviseur bij Joanknecht of met een van onze specialisten die rechtsboven op deze pagina staan vermeld.