Nadere uitwerking van het Pensioenakkoord

Vorig jaar is reeds een akkoord op hoofdlijnen gesloten over belangrijke vernieuwingen van ons pensioenstelsel: het Pensioenakkoord. De werkgevers- en werknemersorganisaties hebben hierover recent nadere afspraken gemaakt. Uitgangspunten zijn en blijven solidariteit en collectiviteit: risico’s blijven gedeeld worden en ook beleggingen zullen pensioenfondsen collectief blijven doen. Het streven is om begin 2021 een wetsvoorstel in te dienen, dat per 1 januari 2022 in werking moet treden. Als gevolg hiervan zullen vrijwel alle pensioenregelingen een update moeten krijgen. De belangrijkste punten uit het pensioenakkoord lichten wij in dit artikel toe.

Van pensioenaanspraken naar beschikbare pensioenpremie

Voor veel pensioenfondsen geldt dat nu wordt uitgegaan van ‘aanspraken’ (op welke uitkering heb ik recht?). Dat gaat veranderen. In de toekomst zal de pensioenpremie centraal komen te staan (hoeveel pensioenvermogen is voor mij gerealiseerd en welke uitkering mag ik op basis daarvan verwachten?). Naar verwachting zullen dus meer pensioenregelingen worden omgevormd naar een beschikbare premieregeling ,waarbij de uitkering in beperkte mate variabel gaat worden.

Afschaffing doorsneepremie en rekenrente

Een andere belangrijke wijziging is dat de zogenoemde doorsneepremie wordt afgeschaft. Dat betekent dat jongeren niet langer moeten betalen voor het pensioen van hun oudere collega’s. Wat ook verandert is dat de rekenrente komt te vervallen. Dit maakt het mogelijk pensioenen meer te laten meebewegen met de werkelijke resultaten van het pensioenfonds. Naar verwachting wordt met deze wijzigingen de ruimte voor indexatie groter. Dat betekent ook dat de kans op afstempeling van pensioenen toeneemt. Ter beperking van dit risico kan een pensioenfonds een solidariteitsreserve vormen door een deel van de premie en/of een deel van het rendement te reserveren om toekomstige negatieve resultaten te dempen.

De effecten verschillen per pensioenfonds. Een fonds dat relatief veel jonge deelnemers heeft, heeft bijvoorbeeld veel minder last van het afschaffen van de doorsneepremie dan een vergrijsd pensioenfonds. Daarnaast mag elk fonds binnen het wettelijk kader eigen keuzes maken hoe bijvoorbeeld de solidariteitsreserve te vormen en hoe hoog die zou moeten zijn.

Overgang naar nieuw stelsel

Door het CPB en 13 pensioenfondsen zijn scenario’s doorgerekend van de gevolgen van het Pensioenakkoord. Over de hele linie zijn die positief. Niet uit te sluiten is echter dat er voor bepaalde sectoren of leeftijdsgroepen nadelige uitkomsten zijn. Daarom is afgesproken dat eventuele nadelige gevolgen van de overgang kostenneutraal en adequaat gecompenseerd moeten worden. Hiervoor moeten in de komende jaren nog per sector en per pensioenfonds afspraken worden gemaakt .

Een ander element is hoe om te gaan met bestaande afspraken: worden die gehandhaafd zoals ze nu zijn of omgezet naar het nieuwe pensioencontract (‘invaren’)? Dat laatste heeft uitvoeringstechnisch wel de voorkeur. Als dit zou leiden tot een situatie waarin adequate compensatie onmogelijk wordt, kan hiervoor op individueel fonds- of sectorniveau van worden afgeweken.

Een aantal pensioenregelingen kent nu de variant waarbij de pensioenpremie in percentage oploopt met de leeftijd van de medewerker. Onder het nieuwe pensioencontract is dat niet meer mogelijk. Voor deze regelingen geldt dat een adequate compensatie onmogelijk is. In principe geldt hiervoor overgangsrecht en blijft de oude pensioenregeling toegestaan voor medewerkers die hier al inzitten. Deze bedrijven krijgen dan te maken met twee pensioenregelingen: een voor bestaande medewerkers met een oplopende premie en een voor nieuwe medewerkers met een vlakke premie.

Wat is er nog meer nieuw?

  1. Tijdelijke subsidieregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden. Op sectorniveau kunnen maatwerkafspraken gemaakt worden om medewerkers langer aan het werk te houden maar ook om knelpunten bij vervroegd uittreden op te lossen. Het budget dat hiervoor beschikbaar is wordt opgehoogd van € 800 miljoen naar € 1 miljard.
  2. Een aantal sectoren met relatief zware beroepen kent ook vaak toeslagregelingen (voor bijvoorbeeld overwerk). Onderzocht gaat worden in hoeverre werknemers in deze sectoren vrijwillig uit de toeslagen kunnen bijsparen voor hun pensioen.
  3. Naar verwachting wordt het vanaf 2022 mogelijk op pensioendatum een beperkt deel van het pensioen (10% maximaal) in één keer op te nemen. Dat kan niet als ook gekozen wordt voor een zogenoemde hoog/laag constructie;
  4. Het nabestaandenpensioen voor de pensioendatum wordt waarschijnlijk geharmoniseerd naar een standaardregeling. Gedacht wordt aan maximaal 50% van het salaris. Dit vindt niet meer plaats door middel van opbouw maar wordt als risicoverzekering ingericht. De dekking loopt daarbij door tijdens een WW periode en na einde dienstverband. Een werknemer die uit dienst gaat houdt dus enige tijd recht op nabestaandenpensioen.
  5. De ruimte voor het wezenpensioen wordt verhoogd tot 20% van het salaris. Aan de andere kant wordt dan de leeftijd tot wanneer wezenpensioen kan worden uitgekeerd verlaagd van 30 naar 25 jaar.
  6. Wel is duidelijk dat er een verplichte verzekering voor arbeidsongeschiktheid moet komen voor zelfstandigen. Dit zal op een minimumniveau worden (een verzekeringsuitkering tot 143% van het wettelijk minimumloon). Vrijwillig kan waarschijnlijk meer verzekerd worden. Ook hiernaar wordt nog nader onderzoek gedaan.

 

Tot slot

Per saldo gaat er dus veel veranderen. De nadere uitwerking laat nog veel vragen onbeantwoord. In de komende maanden wordt nog de nodige informatie verwacht. Wij blijven u hierover regelmatig informeren. Gestreefd wordt om het nieuwe kader vanaf 2022 in te laten gaan. Omdat het omzetten van bestaande regelingen voor die tijd onmogelijk is komt er ook een overgangstermijn. Deze zal naar verwachting lopen tot en met 2025. Mocht u nu al informatie wensen over de mogelijke impact op uw onderneming dan kunt u contact opnemen met Maarten Foppen per e-mail of per telefoon op +31 (0)40 240 9411.