Meer duidelijkheid over gebruikelijkheidscriterium WKR

gebruikelijkheidscriterium WKR

De Hoge Raad heeft in een recent arrest aangegeven dat het gebruikelijkheidscriterium binnen de werkkostenregeling (WKR) bedoeld is om misbruik te bestrijden. Het bedrag van € 2.400 blijkt geen magische grens. Als de Belastingdienst zich hierop beroept, kan ze niet volstaan met een simpele verwijzing naar de overschrijding van het toegestane bedrag van € 2.400. Dit arrest zorgt voor meer duidelijkheid over het gebruikelijkheidscriterium in de WKR.

De situatie

Het arrest betrof een situatie waarbij de werkgever (bonus)aandelen aan leden van het managementteam ter beschikking had gesteld. Hij had deze verstrekking aangewezen als eindheffingsloon onder de WKR. De Belastingdienst vond dat dit niet mogelijk was, omdat een dergelijke verstrekking niet gebruikelijk is en de waarde van € 2.400 oversteeg. Daarbij ging men voorbij aan het feit dat de werkgever ook al voor de invoering van de WKR deze verstrekkingen deed aan leden van het managementteam. Toen nam de werkgever ook al de daarover verschuldigde belasting voor zijn rekening. Kortom, hoe zit het nu met die grens van € 2.400?

Eerder oordeel rechtbank en hof

De rechtbank had de Belastingdienst in het ongelijk gesteld: de Belastingdienst had niet duidelijk gemaakt waarom deze verstrekking ongebruikelijk zou zijn. Het hof had vervolgens de belastingplichtige in het ongelijk gesteld, onder andere met als motivering dat de WKR alleen ziet op zogenaamd “zwak” loon. Dit betreft vergoedingen en verstrekkingen die ook een privévoordeel inhouden. Bovendien was deze verstrekking volgens het hof naar maatschappelijke opvattingen ongebruikelijk.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad zegt nu samengevat het volgende:

  • Alle vergoedingen en verstrekkingen behoren tot het loon, ook wanneer een vergoeding of verstrekking maatschappelijk gezien niet als loon wordt ervaren.
  • Omdat alle vergoedingen en verstrekkingen tot het loon behoren, is de WKR op alle gedane vergoedingen en verstrekkingen van toepassing.
  • De stel- en bewijsplicht dat de aanwijzing dan wel de hoogte van een vergoeding of verstrekking als eindloon onder de WKR niet gebruikelijk is, ligt bij de inspecteur. Daarbij is het enkel stellen dat het niet gebruikelijk is door te verwijzen naar de overschrijding van de doelmatigheidsmarge van € 2.400 per werknemer per jaar onvoldoende.

Vervolgens geeft de Hoge Raad een aantal handvatten voor de beoordeling of een vergoeding of verstrekking wel of niet gebruikelijk is. Daarbij is bijvoorbeeld van belang:

  • Is het gebruikelijk de vergoeding of verstrekking aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel?
  • Is de vergoeding of verstrekking ongebruikelijk hoog?
  • De vergelijking met andere werknemers bij dezelfde werkgever (al dan niet in dezelfde functiecategorie).
  • De vergelijking met werknemers van andere werkgevers.

 

Vervolg

De Hoge Raad verwijst de zaak vervolgens terug naar het hof en geeft belastingplichtige en Belastingdienst de gelegenheid hun standpunten opnieuw te onderbouwen op basis van de door de Hoge Raad aangegeven handvatten. Het is nu dus aan het hof om het gebruikelijkheidscriterium verder concreet in te vullen.

Eerder schreven we al over de verruiming van de WKR voor het mkb. Dit is op Prinsjesdag vorig jaar aangekondigd en gaat per 1 januari 2020 in.

Contact

Meer weten over vergoedingen en verstrekkingen in het kader van de werkkostenregeling (WKR)? Neem contact op met Fabiënne Hol-van Goethem, specialist loonheffingen, per e-mail of telefoon op +31 (0)40 240 9464.