Dividenduitkering aan buitenlandse aandeelhouder: dividendbelasting inhouden?

Als een vennootschap dividend wil uitkeren aan haar buitenlandse moedermaatschappij, dan zal beoordeeld dienen te worden of dividendbelasting moet worden ingehouden. Slechts onder bepaalde voorwaarden kan worden gebruikgemaakt van de inhoudingsvrijstelling. Deze voorwaarden zijn de laatste jaren verder aangescherpt. Het uitgangspunt dat bij dividenduitkeringen aan vennootschappen binnen de Europese Unie geen dividendbelasting ingehouden dient te worden, is daardoor tegenwoordig niet meer vanzelfsprekend. Hierna gaan wij nader in op de inhouding van dividendbelasting op dividenduitkeringen aan een buitenlandse aandeelhouder.

Inhoudingsvrijstelling

Als een Nederlandse vennootschap een dividenduitkering aan een buitenlandse aandeelhouder (vennootschap) wil doen zonder inhouding van dividendbelasting, zal zij zich moeten beroepen op de inhoudingsvrijstelling in de Wet op de dividendbelasting. In beginsel is de inhoudingsvrijstelling van toepassing indien:

  • een dividenduitkering gedaan wordt aan een aandeelhouder in een EU-land of een land waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting gesloten heeft; én
  • de deelnemingsvrijstelling van toepassing zou zijn indien de aandeelhouder in Nederland gevestigd zou zijn.

 

Sinds 1 januari 2018 is deze inhoudingsvrijstelling strikter geworden. De vrijstelling bevat nu, naast bovenstaande vereisten, een uitgebreide antimisbruikbepaling en ook een informatieverplichting.

Antimisbruikbepaling

De antimisbruikbepaling voor de inhoudingsvrijstelling is erg complex. Er zijn twee toetsen die uitgevoerd moeten worden voordat vastgesteld kan worden of de vrijstelling van toepassing is. Op hoofdlijnen houden deze toetsen het volgende in.

Ten eerste dient getoetst te worden of de aandeelhouder de deelneming niet houdt met als doel (of een van de hoofddoelen) om de dividendbelasting bij een ander te ontgaan (de subjectieve toets). Hiervoor kan bekeken worden of wel dividendbelasting ingehouden zou moeten worden indien het dividend direct aan de uiteindelijke aandeelhouder uitgekeerd zou worden (de wegdenkgedachte). In dat geval wordt niet voldaan aan deze toets. Er dient dan wel dividendbelasting ingehouden te worden, tenzij wordt voldaan aan de tweede toets.

De tweede toets (de objectieve toets) houdt in dat geen sprake mag zijn van een kunstmatige constructie of transactie. Om aan deze toets te voldoen dient de structuur te zijn opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Dit betekent dat de aandeelhouder voldoende economisch reële aanwezigheid in dat land moet hebben. Hier is bijvoorbeeld sprake van wanneer de aandeelhouder daadwerkelijk een onderneming heeft in het land van vestiging.

Let op: de vereisten van economische reële aanwezigheid voor een tussenhoudster worden per 1 januari 2020 wederom aangescherpt.

Indien aan een van bovenstaande toetsen wordt voldaan, is de inhoudingsvrijstelling van toepassing en hoeft geen dividendbelasting te worden ingehouden. In het geval van meerdere aandeelhouders moet bovenstaande toetsing gedaan worden per aandeelhouder, om vast te stellen of die betreffende aandeelhouder recht heeft op de inhoudingsvrijstelling.

Informatieverplichting

Wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de inhoudingsvrijstelling, dan is een aangifte dividendbelasting niet nodig. Wel dient de Belastingdienst hierover te worden geïnformeerd. Aan deze informatieverplichting wordt voldaan als het formulier ‘Opgaaf dividendbelasting (Vrijgestelde uitkeringen aan buitenlandse gerechtigden in deelnemingssituaties)’ ingevuld en ondertekend toegestuurd wordt aan de Belastingdienst binnen één maand na het ter beschikking stellen van het dividend. Indien deze opgaaf niet of niet op tijd wordt ingestuurd, kan een verzuimboete worden opgelegd van maximaal € 5.278.

Risico’s ten onrechte niet inhouden dividendbelasting

Indien wel dividendbelasting ingehouden had moeten worden maar niet is gedaan, loopt de uitkerende vennootschap verschillende risico’s.

Ten eerste kan de Belastingdienst de te betalen dividendbelasting alsnog innen bij de uitkerende vennootschap door een naheffingsaanslag op te leggen. In dit geval dient de uitkerende vennootschap de belasting zelf te betalen in plaats van enkel in te houden ten laste van de dividenduitkering. De vennootschap moet vervolgens zelf deze dividendbelasting verhalen op de ontvangende vennootschap. Wanneer de uitkerende vennootschap deze dividendbelasting niet verhaalt, wordt het bedrag aan dividendbelasting ook gezien als dividenduitkering en dient hierover wederom dividendbelasting te worden betaald (brutering van dividenduitkering).

Daarnaast kunnen verschillende boetes opgelegd worden, bijvoorbeeld voor het niet (tijdig) doen van aangifte en voor het niet (tijdig) afdragen van de dividendbelasting. Deze boetes kunnen tegelijkertijd worden opgelegd. Indien opzettelijk geen dividendbelasting is afgedragen, kan de boete oplopen tot 50% van de te betalen belasting.

Aangezien de toepassing van de inhoudingsvrijstelling sterk afhankelijk is van de feiten en omstandigheden, is het raadzaam de fiscale gevolgen van een dividenduitkering in kaart te brengen alvorens het dividend daadwerkelijk ter beschikking te stellen.

Wilt u meer informatie over de inhoudingsvrijstelling of wilt u weten wat de fiscale gevolgen zijn van uw voorgenomen dividenduitkering? Neem dan contact op met uw adviseur bij Joanknecht.